Munten en Penningen

De munt van Stevensweert is gesticht en de muntslag is er uitgeoefend door de graven Van den Bergh.

Het Berghse gravengeslacht bezat in de 15e en 16e eeuw het muntrecht op drie plaatsen: Bergh ('s Heerenberg), Dieren en Hedel. Het muntrecht, in leen of achterleen uitgegeven, was gewoonlijk gebonden aan de plaats, in de leenacte genoemd, en het ging mét de heerlijkheid en het grondbezit van die plaats eventueel ook in andere handen over. Het kon er echter ook van los gemaakt worden. De munt in Stevenweert werd van Hedel uit gesticht.

In 1578 werd Frederik van den Bergh verdreven van zijn slot Hedel. Hij moest plaats maken voor de Staatse bezetting onder leiding van fanatieke Staatse bevelhebbers. Frederik verplaatste zich naar zijn enige slot dat hem nog restte: Stevensweert.

Te Stevenweert werd een nieuwe munt gesticht. Er bestond in die periode geen Stevensweerts muntrecht, er heeft alleen maar een Stevensweertse munt bestaan. Muntmeester was Mattheus van Nederhoven, die in Hedel voldoende ervaring opdeed. Er is door numismatici weinig opgetekend over de periode 1580 -1582.

Over de periode van 1616 - 1631 onder graaf Hendrik, zoon van de in 1586 overleden Willem (broer van Frederik) is meer bekend. In 1618 schonk Hendrik de heerlijkheid aan zijn zoon Herman Frederik en in 1626 het muntrecht. Hiermee was Herman Frederik de 3e muntheer van Stevensweert.

  • Muntslag

    De muntmeester oefende de algemene leiding binnen het munthuis uit. In Utrecht ontving hij zijn aanstelling van de Staten, maar verrichtte het werk als particulier ondernemer voor eigen rekening. De muntmeester was verantwoordelijk voor de aanschaf van het muntmateriaal en de betaling van de salarissen van de werknemers. De gebouwen en een groot aantal gereedschappen stelden de Staten van Utrecht ter beschikking. De grondstof voor nieuwe munten bestond uit erts, voorwerpen van goud en zilver, en oude afgesleten of ongeldig verklaarde munten. Het muntmeestersambt kende naast verplichtingen ook aanlokkelijke voorrechten. Zo voorzagen de Staten hem onder meer van een ambtswoning bij de Munt. Aan het begin van de zeventiende eeuw waren de muntmeesters vaak ook lid van het goud- en zilversmidsgilde en werkten zij voor hun aanstelling aan de Munt dikwijls als goud- of zilversmid. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw waren muntmeesters vaker kooplieden en hadden zij niet langer een opleiding als goud- of zilversmid gevolgd.

  • Goudgulden

    De goudguldens, geslagen te Stevensweert tijdens het bewind van graaf Herman Frederik van den Bergh, ca 1630., zijn vaak imitaties van Duitse voorbeelden. Zo was de goudgulden met St.Stephanus een navolg van die van de stad Metz. Voorzijde: Sanctus Stephanus protho martyr. Achterzijde wapentje van Bergh.

  • Penning 1702

    De penning, met een doorsnede van 49 mm en een gewicht van 50 gr. (zilver) is van de hand van M.Smeltzing. Op de voorzijde zien we het borstbeeld van een graaf van Athlone en het onderschrift: GODARDVS ATHLON COM EXERC FOED BELG IMPERATOR.

    Op de keerzijde een zegezuil, waaraan vier naakte overwonnener geketend zijn. De zuil staat tussen vaandels en op de zuil zelf hangen schilden met de namen van de veroverde steden: KEYSERSWAART VENLO, STEVENSWAART ROERMONDT LUYCK. STOKKUM GREVENBROEK HAMMOND. Op het voetstuk lezen we: SIC BATAVIS CONTINGIT AB HERCULE THESEUS MDCCII